Recensie

Jef Geeraerts en ‘Black Venus’

Schaambot - SKaGeN (2023) - © Wendy Marijnissen
‘Schaambot’: een productie van Theatercollectief SKaGeN (2023) van en met Valentijn Dhaenens en Musia Mwankumi, gebaseerd op de roman ‘Black Venus’(1968) van Jef Geeraerts (foto © Wendy Marijnissen)

Het Theatercollectief  SKaGeN is gegroeid uit de theateropleiding Dora Van der Groen aan het Antwerpse Koninklijk Conservatorium. Als eindproject presenteerde deze afstudeerklas (jaargang 2000) een grotendeels uit improvisaties samengestelde voorstelling, met als titel IO. Op dit ogenblik maken Valentijn Dhaenens, Korneel Hamers, Mathijs Scheepers en Clara Van den Broek deel uit van de artistieke kern. Op zijn website meldt SKaGeN, dat het in zijn artistieke en sociale projecten de grensgebieden onderzoekt tussen beschaving en barbarij, in het licht van vijf  samenlevingskenmerken: geld, godsdienst, oorlog, politiek & pioniersschap. Voor de voorstelling Schaambot werd het boek Black Venus van Jef Geeraerts ontleed tot op het (schaam-)bot. Met een resultaat om zeker niet beschaamd te zijn.

Jef Geeraerts

De in 1930 in Antwerpen geboren Jef Geeraerts, was enig kind in een welgestelde en erg traditionele burgerlijke familie. Hij voltooide in 1948 de Grieks-Latijnse humaniora in het destijds erg elitaire Onze Lieve Vrouwe-college  van de Jezuïeten in zijn geboortestad, en studeerde verder aan de Koloniale Hogeschool, waar hij in 1952 een diploma behaalde in de politieke en administratieve wetenschappen. Zijn legerdienst volbracht hij in 1954 in West-Duitsland, met de rang van reserveofficier. Hij huwde ook in 1954 met de enkele jaren oudere Marie Jeanne S. (uit respect voor haar privacy vermeld ik haar volledige naam niet) en trok met haar naar het toenmalige Belgisch Congo, waar hij van 1954 tot 1959 assistent-gewestbeheerder werd van het district Bumba. Het echtpaar kreeg in Congo drie kinderen, maar het huwelijk was zeker niet gelukkig of harmonisch te noemen.

De jaren 1959 en 1960 waren erg woelig in Congo, met meerdere opstanden van de oorspronkelijke zwarte bevolking. De leiders van de twee grootste politieke partijen, konden toch een pact sluiten om de macht te verdelen: Kasavubu zou president worden, en Lumumba (leider van de grootste partij) eerste minister. De plechtige zitting bij het vieren van de onafhankelijkheid op 31 juni 1960 werd bijgewoond door de jonge koning Boudewijn, die in zijn toespraak de lof verkondigde van het Belgische beschavingswerk, en het grote aandeel daarin van zijn overgrootvader Koning Leopold II. Na deze toespraak sprong Patrice Lumumba recht en gaf in een vlammende speech staalharde kritiek op dat zogenaamde beschavingswerk. Dat bol stond van misdaden tegen het Congolese volk, met onderdrukking en uitbuiting, martelingen en verminkingen, gepleegd onder de verantwoordelijkheid van die beruchte Leopold II en van het Belgische koloniale apparaat. Koning Boudewijn en de verzamelde Belgische notabelen en regeringsleiders wisten niet wat hen overkwam. De Belgische regering zette sito presto de staatsveiligheid in, om het gezag van Lumumba te ondermijnen. Na twee weken werd hij afgezet, en zijn bevoegdheden overgedragen aan president Kasavubu. Lumumba ging op de vlucht, werd gevangengenomen, getransporteerd naar Katanga, en op 17 (of 18) januari 1961 uiteindelijk brutaal vermoord. (Zijn lichaam werd nooit teruggevonden, op twee tanden na…) Enkele dagen na de onafhankelijkheidsverklaring was er in Leopoldstad ook een oproer uitgebroken, die gepaard ging met plunderingen en verkrachtingen. En met interventies van de Congolese Nationale Garde, die nog onder het bevel stond van Belgische officieren. Ook Belgische para’s werden ingezet. De Belgische kolonisten vluchtten massaal in paniek en zonder noemenswaardige bagage naar België terug. Zo ook de echtgenote en de kinderen van Jef Geeraerts, die even later eveneens naar het vaderland terugkeerde. Hij schreef zich in aan de Vrije Universiteit Brussel om Germaanse talen te studeren en verliet in 1963 zijn vrouw en kinderen.

Verrassend succes

Intussen schreef hij, en publiceerde in 1960 de roman ‘Ik ben maar een neger’, waarvoor hij in 1964 de literaire prijs kreeg van de provincie Antwerpen voor het ‘beste literaire debuut’. In 1966 volgde de ‘De Troglodieten’, een verhalenbundel die in 1967 met de Ark-prijs van Het vrije Woord werd bekroond. (Het was geen geldprijs , maar een symbolische ‘ereprijs’ om mensen of organisaties te bekronen die zich actief inzetten voor de vrijheid van denken. De naam van de laureaten wordt op een ark bewaard).

Tijdens de zitting bij de bekendmaking van de laureaat, twee prominente personen een hulde.  Erik van Ruysbeek (pseudoniem van Raymond Van Eyck, 1915-2004) zei onder meer: ‘In het oeuvre van Jef Geeraerts neemt de bekroonde novellen-bundel een bijzondere plaats in. Wel mist men in De troglodieten de onstuimigheid van Ik ben maar een neger, maar dit gebrek – of die deugd? – wordt dan ruimschoots vergoed door een vermogen om terzelfder tijd te onthullen en te verhullen en door een kunst van understatements die erop wijzen dat deze jonge schrijver over een verbluffende veelzijdigheid beschikt.’ Erik Van Ruysbeek  had Germaanse talen gestudeerd aan de KULeuven, en was o.m. jarenlang docent Letterkunde aan het Koninklijk Conservatorium Brussel (waar ik ca. 20 jaar zijn collega was als docent Toneelgeschiedenis). Van Ruysbeek publiceerde een 20-tal dichtbundels en enkele romans. Hij werkte en publiceerde in de luwte, en dat hij in 1990 de ‘Prijs voor letterkunde van de Vlaamse provincies’ voor zijn hele oeuvre kreeg, is het literaire wereldje van vandaag al lang vergeten. Maar dat deze erudiete en bezadigde man veel waardering had voor het schrijverschap van Jef Geeraerts, staat vast.

Als tweede spreker kon ook Jean Weisgerber (1924-2013), zowel professor aan de Université Libre als aan de Vrije Universiteit in Brussel, een actieve promotor van Hugo Claus, en de Vlaams-Nederlandse literatuur in het algemeen, het werk van Geeraerts waarderen. Zo zei hij onder meer in zijn toespraak (zie: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 20, 1967, p. 720 e.v.): ‘Blanken en zwarten worden door Geeraerts meedogenloos aan de tand gevoeld en deze gepassioneerde objectiviteit is het precies die nu eens aanstoot geeft, dan weer bewondering afdwingt. Geeraerts kent Kongo door en door en hij maakt zich geen illusies meer over de verzoening van de rassen: ‘Blank en zwart’, aldus Matsombo in Ik ben maar een neger, ‘zullen elkaar nooit begrijpen’… Of men het hierover eens is of niet, doet – literair gesproken – niets ter zake. Een roman staat of valt met zijn kunstwaarde, niet met de overtuigingen van de schrijver.’ (Einde citaat).

Schaambot - SKaGeN (2023) - © Wendy Marijnissen
‘Schaambot’: een productie van Theatercollectief SKaGeN (2023) van en met Valentijn Dhaenens en Musia Mwankumi, gebaseerd op de roman ‘Black Venus’(1968) van Jef Geeraerts (foto © Wendy Marijnissen)

Het verhaal van ‘Black Venus’ begint in 1955, maar het boek verscheen pas in 1968: het scharnierjaar van de contestatie-beweging van de jongeren, die in mei van dat jaar uitbrak aan het gros van de universiteiten in de USA, en van West-Europa. De anticonceptiepil zorgde (ondanks het verbod van de kerkelijke overheden) rond die tijd ook mee voor een seksuele revolutie, met het bewustzijn dat seks niet enkel voor de voortplanting diende, maar ook (en allicht voornamelijk) voor het genot en de ‘wederzijdse vervolmaking’ van de partners. De vele ongebreidelde en gedetailleerde beschrijvingen van seksuele activiteiten die in Black Venus werden opgenomen, sloten nauw aan bij deze ‘revolutie’, en het boek werd een echte bestseller. Het veroorzaakte ook heel wat commotie in Vlaanderen, kreeg vele scheldtirades van rabiate tegenstanders, maar ook veel waardering van respectabele voorstanders. Zoals van Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris, jarenlang ambassadeur en gevolmachtigd minister van het Koninkrijk België in de USA.) In 1969 werd Black Venus zelfs enkele dagen in beslag genomen door de B.O.B (Bijzondere Opsporingsbrigade, een afdeling van de Belgische Rijkswacht), op verdenking van pornografie (of zoiets). Het boek werd al na enkele dagen terugbezorgd en de zaak werd zonder gevolg geklasseerd. (Met dank van de auteur en zijn uitgever voor de gratis reclame…) Er vormde zich rondom Jef Geeraerts al vlug een mythe, waaraan hij zelf ook ijverig meewerkte. Hij kreeg er ook in 1969 de Belgische staatsprijs voor verhalend proza voor, al werd er bij de jury tijdens de beraadslaging geen eenstemmigheid bereikt.

Verbluffende veelzijdigheid’ of ‘exhibitioneren van lamentabele vuile was’?

Geeraerts schreef in het totaal vier delen in zijn Gangreen-cyclus. (Tussen haakjes: gangreen of koudvuur is een infectie die – ook bij een kleine verwonding – kan ontstaan, waarbij gezond weefsel in een hoog tempo wordt aangetast, en dodelijk kan zijn.) Na Black Venus (1968) volgden nog: De goede Moordenaar (1972), Het teken van de Hond (1975) en Het Zevende Zegel (1979). Maar na het succes van Gangreen 1 ging de waardering voor de volgende Gangreen-boeken bij de lezers snel naar omlaag. Ook bij recensenten die hem bij Black Venus nog gunstig gezind waren, en hem mede aan de Staatsprijs hadden geholpen. Zo schreef  Marcel Janssens, literatuurprof aan de KU Leuven (die hem eerder had gesteund) een vernietigende kritiek op Het Zevende Zegel, waarin Geeraerts het jaar van zijn schrijven aan zijn manuscript van Black Venus en zijn pijnlijke echtscheiding behandelde.

In een artikel nam prof. Janssens de zware beledigingen op de korrel, waarmee de auteur van Het zevende Zegel zijn ex-echtgenote overstelpte en in de vernieling schreef.

Uit de recensie van Marcel Janssens (zie: Dietsche Warande & Belfort, jg. 123, 1978, p. 125-129) citeer ik het volgende: ‘In het vierde deel neemt Geeraerts via het publiek te koop aangeboden literaire geschrift wraak op een niet mis te duiden wezen dat tien jaar lang – met daarin de beslissende zes jaar Kongo – zijn leven deelde. Hij stelt zichzelf, zijn vrouw en de hele sorus van zijn miserabel eerste huwelijk in dit boek te kijk, enerzijds met een masochistisch plezier in de zelfvernedering, anderzijds met een bedenkelijk sadistisch genoegen in de wraakneming, de bevuiling, de dodende afschrijving van een ander – met name de moeder van zijn drie kinderen. Dat wordt dan ‘literatuur’ in een serie die (daar blijf ik bij) schitterend begon, maar nu ongeïnspireerd aan het vastlopen is in het zielige exhibitioneren van lamentabele vuile was. (…) / In de episodes over het huwelijk trof me het meest de masochistische desublimering van alle waarden en sentimenten die daarmee plegen verbonden te worden: tederheid, trouw, wederzijdse bevestiging, vreugde om de kinderzegen, en dergelijke. Geeraerts haalt dat neer met een wreed welbehagen, omdat zijn partner hem grondeloos frustreert en vernedert. Als wraak maakt hij de partner als onvoorstelbaar banale vrouw af. Heilige Koe, zegt hij, ik zet je ooit nog betaald. (35)… (…) / In Gangreen 4 bood hij het genadeloze geweld van de banalisering die als wraakoefening fungeert. Hij heeft daarmee de grens bereikt waar zijn geraas van Wreker in groteske vertekeningen kan omslaan en mistasten. Loopt hij niet in zijn image en in de (eveneens banale) verwachtingen van zijn fans vast? Ik vraag het mij af.’ (einde citaat).

 

Ommekeer

Na Het Zevende Zegel gooide Geeraerts het in zijn schrijverscarrière wijselijk over een heel andere boeg. Waar hij rond 1978 nog in interviews meldde, dat hij materiaal genoeg had voor een Gangreen 5 en Gangreen 6, schreef  hij vanaf 1980 (behalve vele literaire vertalingen) vooral thrillers en reisverhalen. Met succes overigens. In 1986 kreeg hij onder meer de ‘Gouden Strop’ voor de beste thriller: ‘De Zaak Alzheimer’, die eveneens als film een opmerkelijk succes kende met Erik Van Looy als regisseur, Jan Decleir in de rol van de huurmoordenaar Angelo Jedda, Koen De Bouw en Werner De Smet als het speurders-duo Vincke en Verstuyft, en Jo De Meyere als de corrupte Baron en minister van staat De Haeck. Geeraerts kreeg ook in 2003 de ‘Diamanten Kogel’ voor ‘Dossier K’ (weerom met het speurders-duo Vincke en Verstuyft).

In 1978, kort voor het publiceren van Het Zevende Zegel (Gangreen 4), hertrouwde Geeraerts met Eleonora Vigenon, een stijlvolle en vriendelijke dame, met wie hij sedert 1972 een relatie had. In een interview verklaarde Vigenon (zie: Humo nr. 3236, 10 september 2002) over de tijd dat ze elkaar leerden kennen: ‘Ik heb nooit een lievere man ontmoet, we voerden ook doorlopend interessante gesprekken. Als Jef één dag bij mij was, was mijn hele week goed.’ En Eleonora had blijkbaar een positieve invloed op zijn toch wel wat chaotische levensstijl. Toen ze in 2008 aan kanker overleed, verloor Jef Geeraerts zijn geliefde én zijn muze, en was hij ontroostbaar. Na haar dood schreef hij nog slechts één nieuw boek: ‘Muziek en Emotie’. Geen roman, maar een verzameling artikels over klassieke muziek, waarvoor hij een passie had, die hij overigens deelde met zijn overleden geliefde. Als een vereenzaamde man stierf hij op 11 mei 2015 op 85-jarige leeftijd aan een hartaanval.

 

In 2015 gecanoniseerd, in 2020 verguisd

Schaambot - SKaGeN (2023) - © Wendy Marijnissen
‘Schaambot’: een productie van Theatercollectief SKaGeN (2023) van en met Valentijn Dhaenens en Musia Mwankumi, gebaseerd op de roman ‘Black Venus’(1968) van Jef Geeraerts (foto © Wendy Marijnissen)

Na het overlijden van Geeraerts, werd zijn Black Venus nog in extremis toegevoegd aan de Vlaamse Canon (die maximum uit 50 werken, van minstens 25 jaar oud, en bovendien enkel van overleden auteurs mocht bestaan). De Canon-commissie vond in 2015 Black Venus ‘baanbrekend’, voor het vitalisme dat het boek uitstraalde, en voor de ongebreidelde manier waarop hij schreef over seksualiteit en geweld, en voegde ze Black Venus als 51-ste boek toe aan de Canon van 50 werken. Maar bij de revisie van de Canon vijf jaar later stelde een (intussen gewijzigde) commissie vast, dat Geeraerts in dit boek een racistisch en vrouwonvriendelijk beeld schetste van de mens en de maatschappij in onze vroegere kolonie, en schrapte ze het boek (samen met nog enkele andere) van de canon-lijst. Om plaats te maken voor o.m. Pallieter (Timmermans) en ‘Turks Fruit’, een roman van de Nederlandse auteur Jan Wolkers, waarin er toch ook druk wordt gecopuleerd en met scheve schaatsen gereden.

Wie vergiste zich hier eigenlijk: de commissie van 2015, of die van 2020? Er kwamen vele reacties tegen deze beslissing van de canoncommissie, zowel negatieve als positieve. Zo vond Chris Ceustermans (zie: De Standaard, 07.07.2020) het ‘verontrustend, dat Gangreen 1 door een eenzijdige, moralistische lezing uit de canon is verdwenen.’ En Eugène Van Itterbeek schreef in zijn essay ‘Een staatsprijs voor Jef Geeraerts. Een Belgische controverse’ (zie: Yang, jg. 1973, pp. 93-102): ‘Niemand kan meer voorbijgaan aan een boek als Gangreen 1, dat de politici zou moeten aanzetten tot een bezinning over hun eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het Belgisch verleden in Kongo, vooraleer met banbliksems te zwaaien naar hun eigen telg. Geen wonder toch dat Geeraerts de mensen, ook de Belgen, als wolven afschildert. Ik hoop dat met Geeraerts’ werk de literatuur in België een werkelijke ethische functie zou krijgen, dat zij de zware problemen die ons verleden bezwaren en die men in de verborgenheid tracht op te lossen of te verstoppen, op het publieke forum brengt. De literatuur is immers de grote vijand van de schijnheiligheid. Wat zij doet gaat naar de openbaarheid.’

Zelf heb Black Venus in november van het jaar 1968 gelezen, en mijn persoonlijke vaststelling was dat Geeraerts als een van de eersten eindelijk klaar en duidelijk openbaar durfde maken hoe diep de vrouwonvriendelijkheid en het racistische denken ingebakken was in het zogenaamde ‘beschavingswerk’ van de blanke kolonialen. Waartoe Geeraerts als (assistent-) gewestbeheerder toch ook behoorde, al was het dan op één van de lagere treden van de maatschappelijke ladder. Het was niet zo moeilijk om uit het biografische (of semi-biografische en opgesmukte) verhaal van Jef Geeraerts op te maken, dat de ik-figuur uit Black Venus zich niet of nauwelijks kon losmaken van zijn traditioneel en erg ‘kleinburgerlijk’ milieu. In de tijd dat Geeraerts zijn middelbare school voltooide, betekende het middelbare schooldiploma van het Antwerpse Jezuïetencollege het ‘nec plus ultra’ van een oerdegelijke katholieke opvoeding. Wie door de Paters Jezuïeten was ‘gevormd’, bleef (tot niet zo lang geleden) levenslang een aura van superioriteit (of een levenslang stigma) dragen.

Bij de lectuur van de Congo-verhalen van Geeraerts, kreeg ik verder het gevoel dat hij rond het jaar 1980 zijn strijd tegen de littekens, die de hypocrisie van zijn opvoeding en van het sterk repressieve Belgische koloniale bewind bij hem had veroorzaakt, zo goed als beëindigd had. Toen ik hem in 1980 (of een van de volgende jaren toevallig ontmoette, het was in het literair café Vécu in Antwerpen, denk ik) vroeg ik hem terloops in hoeverre Black Venus nu eigenlijk autobiografisch was. Omdat er geruchten de ronde deden dat hij een aantal zaken niet correct had weergegeven, maar ze daardoor wel pasten in de mythevorming over zichzelf als vrouwenversierder, heldhaftige paracommando etc. (ik formuleerde destijds mijn vragen tijdens dit informele gesprek wel iets diplomatischer) antwoordde hij (zo ongeveer): ‘Ja, natuurlijk gaat het over mij, over wat ik zelf heb meegemaakt. Natuurlijk is Black Venus gebaseerd op een bepaalde realiteit. Maar het is ook gedeeltelijk fictie, een beetje opgeklopt, een beetje uitvergroot. Om het wat boeiender te maken. Het is wel een roman, hé’.

Het koudvuur, dat zijn persoonlijkheid had besmet en hem dreigde te vernietigen, heeft hij met zijn Gangreen-reeks bestreden. En wellicht dank zij de hulp van zijn tweede echtgenote heeft kunnen neutraliseren.

Toen ik het bericht las dat Toneelgroep SKaGeN Black Venus van Geeraerts als theater wilde brengen, heb ik wel even de wenkbrauwen gefronst. Ik kon me niet direct een toneelversie van dit boek voorstellen. Maar ik werd toch verrast en geboeid door de korte (minder dan een uur) maar intense voorstelling van ‘Schaambot’. De donkerhuidige actrice Musia Mwankumi (jong aanstormend talent!) en de witte acteur Valentijn Dhaenens (veelzijdige sterkhouder, van middelbare leeftijd) lezen daarin voor uit het boek van Geeraerts of luisteren naar elkaar, geven commentaar, stellen zichzelf en/of de andere vragen. Ze spelen ook regelmatig een soort rollenspel, onder meer met het personage van Jef Geeraerts als protagonist, en van diens echtgenote Eleonore als antagonist. De dialogen kabbelen rustig verder, zonder theatrale stemverheffingen. Ook als er een delicate of intense erotische passus uit het boek wordt voorgelezen, gebeurt dit met een neutrale spreekstijl, zonder onderliggende ‘duiding’. Geen beschuldigende of wijsneuzerige vingertjes dus. Gaandeweg wordt Mwankumi de meest ijverige vragen stellende protagonist, en Dhaenens de veeleer zwijgzaam luisterende antagonist, die niet meer in staat is om een antwoord te verzinnen op al die pertinente vragen van zijn vrouwelijke gesprekspartner.

Een boeiende en sterk beklijvende voorstelling, waarbij de aandachtige toeschouwers ook ruim de tijd kregen om na te denken over de gestelde vragen. En over niet gestelde vragen. Bijvoorbeeld: of er tussen de publicatie van Black Venus en vandaag, wel degelijk fundamentele veranderingen inzake racisme en misogynie in onze samenleving werden gerealiseerd.

Voorstelling gezien op 16.09.2023 in De Studio, Antwerpen. Wegens omstandigheden kon deze recensie niet vroeger gepubliceerd worden, waarvoor onze excuses.