Recensie

Vijftig jaar Malpertuis. Omzien in verwondering en Herman Verschelden gedenken

Een gedetailleerd verhaal over vijftig jaar Theater Malpertuis Tielt (West-Vlaanderen) moet nog geschreven worden. In afwachting is er al een documentaire film over verleden en vooruitzicht, gerealiseerd door Ingrid De Vos (script en regie), Johan Stoefs (camera), Steven van der Perre (klank) met steun van onder meer de Provincie West-Vlaanderen en de Stad Tielt. Malpertuis is inmiddels vol vuur aan een volgende halve eeuw begonnen. Artistiek leider, regisseur, acteur, auteur Piet Arfeuille heeft een tweede tekstboek uitgegeven en er wordt verder gewerkt aan avontuurlijk theater en cross-overs met andere podium-disciplines. Voor januari 2019 wordt zelfs uitgekeken naar een mogelijk nieuwe samenwerking met cineaste Nathalie Teirlinck voor een bewerking van een werk van Raymond Carver.

Net voor het nieuwe theaterseizoen begon is Herman Verschelden (16.04.1941-21.09.2017), stichter en bezieler van Malpertuis, na een slepende tumor, overleden. Verschelden is één van die pioniers die er voor vochten dat theatermakers van diverse pluimage op meerdere locaties en voor mogelijk meer mensen, een podium kregen.

Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was de professionele situatie van het gesproken theater in Vlaanderen zeer overzichtelijk. Antwerpen (KNS) en Brussel (KVS) gaven een bepaalde toon aan. Onder impuls van Herman Teirlinck en ter bevordering van een kwaliteitsgerichte toneelspreiding werd het Nationaal Toneel van België opgericht, met een Vlaamse en een Franstalige afdeling. Daarnaast verzorgde het Reizend Volkstheater (1947) zowat overal in den lande, reisvoorstellingen. In Antwerpen startte bovendien een tweede acteursopleiding: Studio Nationaal Toneel, de latere Studio Herman Teirlinck, nu Herman Teirlinck Instituut.

Er was echter nood aan meer. In Gent ontstond in 1950 Toneelstudio 50, dat vijf jaar later Arca werd. In Antwerpen en Brussel gingen, onafhankelijk van elkaar, kelder-, zolder, en kamertheaters van start. Kleine steden volgden: Kortrijk met het West-Vlaams Theater Antigone, Mechelen met het Mechels Miniatuurtheater, Brugge met onder andere de Korre. In 1967 sloot Herman Verschelden in Tielt voorlopig de rij af met Theater Malpertuis. In Gent was inmiddels, in 1965, Het Nederlands Toneel Gent (NTG) begonnen.  

Opmerkelijk is het geregeld verdwijnen van een aantal gehuisveste ‘kleine’ theaters. Ze fuseerden of stopten. Nogal vaak wegens een tekort aan financiële tegemoetkoming van hoger hand. In hoever de opkomst in de jaren vijftig van de televisie daar ook iets mee te maken heeft, dient nog uitgeklaard. Feit is, dat West-Vlaanderen op een bepaald ogenblik het grootste aantal ‘kleine’, professioneel gerichte theaters had, waarvan er tot op heden toch twee hebben stand gehouden: in Kortrijk Antigone, sinds 1956; in Tielt, Malpertuis, sinds 1967.

Op negen december 1967 ging de eerste productie van Malpertuis in première: Commissaris Fennedy, wellicht het enige toneelstuk van de Nederlander Gerard Karel Van het Reve (1923-2006), baanbrekend auteur van merendeels autobiografische romans en verhalen. Ook in Commissaris Fennedy (1962), zijn persoonlijke standpunten van de schrijver te herkennen. Het stuk gaat over ontspoorde huwelijkspartners en hun ontwortelde zoon en is gesitueerd in Noord-Amerika in de jaren zestig tijdens generatieconflicten en rassenonlusten. De creatie van die tragedie was in Nederland echter een mislukking, maar regisseur Guido Goedemé maakte er in Tielt een genietbare productie van die zeven voorstellingen kende. Er werd gespeeld met een gemengde cast van beroeps-, semi-beroeps- en spelers uit het vrijetijdstheater: Cécile Rigolle, Robert De Craemer, Guido Defour, Robrecht De Spiegelaere, Johan Van Damme, Ferdinand Van den Hende, Hans Vander Plaetse, Ernest Verkest, Herman Verschelden en Jacques Vervenne. Het publiek kwam voor een belangrijk deel uit verschillende Vlaamse contreien. Het duurde nog wel een paar jaar vooraleer de Tieltenaren zelf, Malpertuis echt ontdekten.

Hoe en waarom hij in Tielt met een theater begon, heeft Herman Verschelden in verschillende gesprekken en geschriften toegelicht.

H. Verschelden: ‘In 1967 kwam ik toevallig als leraar in Tielt terecht omdat hier een leeropdracht vrij was. Mijn plannen om in St.-Niklaas met een kamertheater te beginnen, plantte ik dan maar over in Tielt. Op school was ik al bezig geweest met toneel en in Sinaai-Waas had ik met Nelly Maes in zelfgemaakte stukken gespeeld. Na mijn humaniora had ik graag Studio Herman Teirlinck gevolgd. Dat mocht niet van vader. Dus, eerst regentaat, dan conservatorium Gent.

Ik was een ‘vreemde’ in Tielt, maar apotheker Wostijn moedigde mij aan en steunde mij. Het plaatselijke amateurtoneel was ter ziele en Wostijn zag in mij wellicht diegene die de toneeltraditie weer op zou nemen. Maar het was niet mijn bedoeling een zoveelste amateurgezelschap op te richten. Ik schooide dertigduizend frank bijeen en verzette hemel en aarde om een ruimte te vinden. Uiteindelijk werd een leegstaande kelder onder het Gildhof in de St.-Michielsstraat, gevonden. Een krocht, ooit een bierkelder voor een studentenclub’. (Knack, 03.12.1986)

In december 1971 wijdde het literair- en kunst-kritisch tijdschrift Kreatief  een nummer geheel aan de ‘kleine theaters in Vlaanderen’ en beantwoordde ook Herman Verschelden de lange vragenlijst. Zijn antwoorden illustreerden meteen een visie die niet enkel Herman maar ook de opeenvolgende regisseurs en leidinggevende medewerkers trouw zouden blijven.

H. Verschelden: ‘De voornaamste doelstelling van Keldertheater Malpertuis: de introductierol vervullen van alle eigentijds, progressief en maatschappelijk georiënteerd theater in het westen van Vlaanderen, zonder daarbij vast te willen lopen in een of  andere geëngageerdheid op filosofisch of politiek vlak. Zo wordt onder meer beoogd elk seizoen ten minste één toneelwerk van eigen bodem te brengen. Aldus houdt Malpertuis zich voor, het sociale en individuele bewustzijn van de toeschouwer aan te scherpen, met als gevolg dat sterke nadruk wordt gelegd op de dramatische expressie, de ensemble-noodzaak, de consequente scenische vormgeving en het zoeken naar een nieuwe thematiek. Tenslotte, en dit sluit geenszins uit dat we een volkstheatertje willen zijn, verzetten wij ons tegen de vercommercialisering van het toneel, tegen het theater dat als instituut is verstard en consumptieartikelen aflevert voor een publiek dat tevreden is met het nauwelijks kritisch aanvaarden van merkartikelen.’ (Kreatief, 1971, 4.)

Vanaf het derde speelseizoen was Malpertuis ook een reizend gezelschap met steun van de dienst Volksontwikkeling, maar het duurde toch drie volle toneelseizoenen vooraleer er een minieme jaarlijkse subsidie werd toegekend, voor een groot deel te danken aan de indruk-makende regies van Berten Debels: in 1970 Zwarte Excellentie (Georges Van Vrekhem) en in 1971 Antigone (Maria Labadaridou).

H. Verschelden: ‘Ik heb Berten Debels leren kennen in Arca. Ik herinner me er zijn regie, in 1968, van Het grote doen van Fernando Arrabal. Berten was een zeer creatief iemand. Hij ging ook overal kijken en snuffelen en hij las veel. Benevens Zwarte Excellentie was vooral Antigone van de uitgeweken Griekse Maria Labadaridou een opzienbarende productie. Het publiek zat op draaistoelen in het midden van de ruimte. De spelers speelden er om heen. De toeschouwers draaiden dus mee naargelang de kant waar werd gespeeld. Zelfs Julien Schoenaerts is dan komen kijken. Maar het was ook de zwanenzang van Berten bij ons. De spelers wilden op tijd en stond repeteren, wat met hem niet altijd ging. Organisatorisch kon het niet meer. Toch heeft Berten Debels mijn denken over theater sterk gedirigeerd. Had ik op zeker ogenblik niet iemand zoals Debels ontmoet, dan was ik er misschien mee opgehouden of zou de opgang van Malpertuis minder snel zijn gegaan’. (Knack, 03.12.1986)

Een aanzienlijke rij regisseurs heeft Malpertuis ‘groot’ helpen maken. Een opsomming zegt niets over de inhoud en de uitstraling van hun werk, maar het is toch goed eventjes, mét Verschelden en Debels, ook de namen in herinnering te brengen (hoe verscheiden soms ook hun verdienste) van onder meer Jacky Tummers, Tony Willems, Horst Mentzel, Robrecht De Spiegelaere, Jo Gevers, Karst Woudstra, Dirk Tanghe, Dirk Buyse, Sam Bogaerts, Danny Keuppens, Herwig De Weerdt, en Bob De Moor die in 2003 zowel de zakelijke als de artistieke leiding overnam.

Eind jaren negentig beschikte Malpertuis dan eindelijk over een eigen theaterruimte (Stationstraat 25) en op 1 januari 2010 nam Piet Arfeuille de artistieke leiding over en werd en wordt nog maar eens de zin, de zorg en levensnoodzaak van een ‘klein’ theater bevestigd.

Het feest voor Vijftig jaar Malpertuis, en het afscheid van de grondlegger Herman Verschelden, dwingen tot herdenken, gedenken en vooral tot nadenken. Het is een omzien in een wonderlijke verwondering die tegelijk een zekere bewondering inhoudt.

Literatuur: 

  • Roger Arteel, Lionel Deflo, Hedwig Verlinde, Dossier kleine theaters in Vlaanderen, Kreatief, 4, december 1971
  • Roger Arteel, Verkavelde scène, teksten over theater 1965-2001, Pro-Art, 2002
  • Roger Arteel, Ongeschminkt, gesprekken over theater, 1972-2000, Pro-Art, 2005
  • Herman Verschelden, 40 jaar theater Malpertuis (voor- en nawoord Wim Van Gansbeke), Malpertuis, 2007
  • Piet Arfeuille, Mark Cloostermans, Schuilkelders en paleizen. Toneelteksten en een essay, Lannoo, 2012.

Info: www.malpertuis.be